Henk & Wilma van der Vinne brachten een bezoek aan de straatkinderen van Takoradi: een havenstad in het Afrikaanse Ghana.
Een groepje straatkinderen wacht op onze aankomst bij het dagopvangcentrum. Hoelang zouden ze daar al zitten? Wanneer we uit de auto stappen beginnen ze onmiddellijk te zingen. In het eerste lied stellen ze zich voor: "Wij zijn de AMEF kinderen, we hebben jullie hulp nodig om ons leven op te bouwen." En het volgende lied: "Zie naar ons om lieve God, hoor naar ons gebed en laat ons niet doodgaan. Onze vrienden zwerven op straat. Haal ze eruit en laat de mensen hen helpen. Zie deze kinderen, die lijden op de straat en laat ze niet doodgaan." Dat te horen uit de mond van een groepje straatkinderen is overweldigend en het raakt ons diep! Terwijl zij onbevangen zingen en dansen, huilt ons hart en laten we dit alles over ons komen. Het gaat om een aantal nog zeer jonge kinderen. Sommigen leven met hun moeder op straat. We zien ze enthousiast bezig. Je vraagt je af hoe dat mogelijk is in hun ellendige situatie. Naast zang en dans leren ze sieraden maken van Ghanese kralen en stofjes batikken. Dagelijks krijgen ze ten minste één stevige maaltijd. Er komt ook een prachtig, maar droevig klein meisje bij me zitten. Ze zit muisstil, alsof ze bang is dat ze anders wordt weggestuurd. Ze legt haar hoofdje tegen me aan en geniet.
Een moeder met vier kinderen - ze heeft er vijf, maar het oudste kind is op straat gebleven - heeft geen inkomen meer doordat haar man in de gevangenis is beland. Het hele gezin is letterlijk op straat terechtgekomen. Ze heeft 's nachts een onderkomen in een leegstaand pand en komt overdag bij ons voor hulp. Daar wordt ze in de gelegenheid gesteld om te douchen en te rusten. Daarnaast heeft ze met haar kinderen gezonde bezigheid en te eten. Voor in de avond, zodra het donker geworden is en iedereen heeft gegeten, worden ze allemaal weer de poort uitgelaten, het nachtleven tegemoet: een plekje zoeken om te slapen. We krijgen een hand van elk kind en zwaaien ze uit. Ons hart breekt. Waarom eigenlijk? Die kinderen zijn immers uitgelaten en vrolijk? Het is allemaal zo dubbel. We zouden ze het liefst een bed geven en onderdak, maar ja er zijn misschien wel achtduizend straatkinderen in Takoradi! Een enkeling heeft nog een ouder, waar ze mogen slapen totdat ze de volgende ochtend weer de straat op moeten. Ouders zijn straatarm, hebben geen geld om voor hun kinderen te zorgen: er is geen geld voor school, er is geen geld voor voedsel, er is geen geld voor een dokter, er is geen geld voor... Zorgen te over: sommige gezichtjes zijn getekend als oude mensen. Soms reisden ze vanuit noord naar zuid Ghana, om hun geluk te beproeven in de stad. Veelal gedwongen door hun ouders die te arm zijn om voor ze te zorgen. Anderen hebben geen ouders meer...
Vroeg
in de morgen gaan we de stad in. Met eigen ogen willen we kennis maken
met het nachtleven van Takoradi: Zien hoe de mensen 's nachts
leven. We worden stil van wat we zien. Overal liggen mensen te slapen.
Op containers, op marktkraampjes, op en onder galerijen. Jonge - vaak
zeer jonge - mensen, maar ook oudjes. Een stad die vol ligt met mensen.
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is! Het tart elk voorstellingsvermogen!
Rijen mensen naast elkaar langs de rijbaan. Het ziet er spookachtig
uit en in onze beleving landt het als onwerkelijk. De putdeksels zijn
gelicht. Een jongen urineert erin. Het is een enorme rommel op straat.
Ratten schuimen door de goten en open riolen. We ontmoeten een moeder
met twee kleintjes. Een op straat geboren tweeling. Henk interviewt
met video een paar jongens die langs de weg liggen. Doordat ook hij
overweldigd is door wat hij ziet, komt hij nauwelijks meer uit zijn
woorden. Wat moet je zulke jongens nu vragen als westerling met hebben
en houden. Waar haal je de moed vandaan om de nood van die mensen te
filmen? Wanneer het lichter wordt, staan de jongens op. Ze pakken hun
kartonnen doos op en verbergen die onder trapjes en op dakjes in de
stad, tot de volgende nacht. De straat wordt aangeveegd en de deksels
gaan weer op de putten. De eerste vrouwen komen alweer met hun handeltje
naar de markt. Als de zon opgaat over Afrika, lijkt de stad weer opgeruimd,
alsof er niets aan de hand is. Was er eigenlijk iets aan de hand? Alleen
de penetrante geur van urine en het riool blijft hangen. Op de terugweg
naar ons verblijf denken we aan de mooie huizen in Nederland en alle
voorzieningen die er zijn. Maar het is nog niet voorbij! Onderweg stoppen
we bij een leeg en afgelegen onafgebouwd casco wat ooit een huis moet
worden. Daar slaapt de moeder die dagelijks bij ons komt voor hulp.
Vijf kinderen. Twee kleintjes liggen te slapen op de betonnen grond,
slechts gescheiden door een deken en een smoezelig lakentje. Drie zitten
buiten en begroeten ons. Moeder komt eraan en omhelst ons. De vader
is er ook. Verbergt zijn bloed doorlopen ogen achter een zonnebril.
Hij vertelt dat hij thuisgekomen is van familiebezoek in Togo. Ach,
wij weten beter. Hij is weer vrij en hoe lang zal het duren, voordat
hij weer opgepakt wordt? We rijden terug door de stad Takoradi. Het
lijkt een vriendelijke open stad, maar het leed loopt massaal rond op
straat. Heel veel kleine en grote kinderen die hun handeltje drijven
om zo een bestaan op te bouwen. Iemand zegt: "Kinderarbeid."
Ik vraag me later af of dit nu kinderarbeid is. Ik vind het heel negatief
klinken voor een kind dat probeert in leven te blijven. Als dit kind
hier niet zo zou zitten, zou het dan nog leven? Natuurlijk is het een
vorm van werken, maar zonder dat te doen, zou dit kind het niet overleven.
Als we in onze auto voor de stoplichten in de file staan, komt er een
jongetje van een jaar of tien bij het geopende autoraampje. Hij probeert
Henk zijn waren te verkopen. Als Henk vriendelijk aangeeft dat hij geen
interesse heeft in chocola, maar wel in hem, vraagt hij met smekende
ogen: "Give me something!" "Geef me iets?" We
zijn deze vraag van Afrikaanse kinderen die een blanke zien gewend.
Lukt het met de repen niet, dan moet je een kansje durven wagen! Henk
denkt even na en weet dat geven niets verbetert voor dit kind en legt
spontaan zijn hand op het hoofd van het kereltje en zegt: "Misschien
bedoel je dit niet maar je krijgt het beste wat ik voor je heb: Ik zegen
je in de naam van Jezus!" Het jochie straalt van oor tot oor.
"Ben je gelovig?" Vraagt Henk. "Ja, ik geloof...".
Reageert hij terwijl onze auto door groen gaat. Is dit die aanvankelijk
zo vriendelijk ogende stad? Vriendelijke mensen, eindeloos vriendelijke
mensen. Hoe is het mogelijk in zo'n onvriendelijke en harde stad! Veerkracht,
veerkracht... waar kom je vandaan?
Vandaag
gaan we de vier jongelui bezoeken op hun stageplek. Ze volgen met hulp
van de AMS een opleidingstraject. We lopen over de markt van Takoradi,
een bedrijvigheid van jewelste. Charles leidt ons door een doolhof van
zeer smalle gangetjes en we passen op dat we ons hoofd niet stoten aan
de dakjes van de kleine standjes. Dan ontmoeten we ergens midden in
het labyrint onze Theresia: druk bezig achter de naaimachine en een
beetje verlegen om onze aanwezigheid lacht ze vriendelijk. Ze ziet er
goed uit en haar lerares vertelt dat ze het ook goed doet. Voor haar
is er hoop voor de toekomst. Zo gaat het ook met Shaibu. We bekijken
de "smederij" waar hij de eerste cursus heeft gevolgd. Daar
tekent de meester in onze aanwezigheid het diploma voor Shaibu. Hij
heeft het vak van smid afgerond. Boven op een plat dak met wijds uitzicht
over Takoradi en zonder last van hoogtevrees is hij nu ijzer aan het
vlechten; het vervolg van zijn vakopleiding bestaat eruit om te leren
ijzervlechten in de bouw. We zien hem aan het werk, als hij bezig is
bij een in aanbouw zijnde flat. Hij is verrast om ons te ontmoeten,
straalt plezier in zijn werk uit en doet het ook erg goed, volgens zijn
stagebegeleider die zichtbaar trots op hem is. We zien Charles aan het
werk op de timmerwerkplaats. Hij wil timmerman worden. Deze jongen heeft
het zichtbaar moeilijk. Zijn ogen staan zacht maar droevig. Hoewel van
tevoren bekend was dat hij het moeilijk zou krijgen met regelmatig en
op tijd verschijnen, kreeg hij toch een kans. Iedereen houdt van hem.
Ook om de tragiek in zijn leven vinden we allemaal dat hij een kans
moet hebben. We zijn blij met die instelling van onze Afrikaanse vrienden.
Charles kan zich moeilijk voegen in het werkritme. Ook heeft hij grote
concentratieproblemen. Hij heeft al jaren op straat geleefd en heeft
naast de nadelen, ook het gemak ervan ondervonden. Als je bedelt en
je krijgt wat geld, is het voldoende voor wat eten voor die dag. En
waarom zou je meer willen? Morgen kun je wel dood zijn leert immers
het harde Afrikaanse leven? Bij een baas werken kost meer inspanning
en energie. Op één of andere manier kan hij dit nauwelijks
opbrengen. Hij blijft nog wel eens een dagje weg van zijn werk. Henk
spreekt hem vaderlijk vermanend toe, zoals dat in Afrika nog mogelijk
is. Hij is één van de weinigen die de kans krijgt, dus
zal hij die kans moeten nemen en het ook afmaken. Er staan na hem vele
anderen in de wachtrij. Charles belooft ons beterschap. We maken een
foto van zijn werkplaats en collega's en verlaten zijn werkplek.
We hopen dat hij het zal redden. Voordat we vertrekken vraagt hij ons
nog snel om een paar centen. Hij trekt zijn meest overtuigende gezicht.
Zijn begeleiders schieten in de lach: dat is nu Charles ten voeten uit!
Maar hem iets geven staat gelijk met hem op het verkeerde pad brengen.
Toch is het moeilijk om niets te geven en moeten we ons realiseren dat
hij al veel van ons krijgt. Happy is klaar met de computercursus. Zij
is er niet, maar we krijgen het leslokaal nog eventjes te zien. Alles
in Afrikaanse snit! Happy is een meisje wat op straat terechtkwam sinds
de dood van haar ouders. Nu is ze met onze hulp klaar met de studie.
Ze zou in Busua gaan werken in een communicatiecentrum. Maar er is een
oom die Happy teruggehaald heeft naar de regio waar ze vandaan kwam.
Nu ze is opgeleid is ze weer interessant voor de familie en kan ze geld
opleveren.
's Avonds gaan we naar het culturele centrum van een stadswijk.
Daar waren we in 2001 ook. Hier leren de oudere kinderen traditioneel
dansen en drummen. Ze verwachten ons en hebben hun danskleding aan.
Uitgedost laten ze ons een uur lang een spetterende show zien van zang
en dans. Alsof de pottenbakker ze nog vormt maakt het zweet hen tot
prachtige glanzende mensen. Ze dansen of hun leven ervan afhangt. Onze
Charles drumt en Theresia en Shaibu dansen. Zoals ze nog nooit tevoren
gedanst hebben. We voelen ons trots. Zij hebben het tot hiertoe gered!
Ze hebben een toekomst. Hoeveel zullen hen nog volgen?
Het
bezoek aan de lokale chief in zijn paleis gaat geheel volgens de traditie.
Hij had gevraagd om ons bezoek. Er zijn acht van die mooie traditioneel
geklede mannen. Eén van hen doet het woord namens de chief. De
chief zegt niets, maar kijkt vriendelijk. Nu en dan wordt tussendoor
onder hen overlegd. We stellen ons aan elkaar voor: handen schuddend
lopen we achter elkaar in een rij langs de chief en zijn mannen en later
lopen zij langs ons. Daarna wordt ieder van die mannen aan ons voorgesteld
en vertellen onze Afrikaanse vrienden wie wij zijn.We hebben het gevoel
bij een koning op visite te zijn. Ook hebben we kleine geschenken meegenomen
en mogen die afgeven aan de man naast de chief. Onze kinderen komen
ook binnen en geven in een lange rij alle mannen een hand. Het valt
me dan op dat ze de chief geen hand geven. Dat past niet. Henk mag iets
zeggen en vertelt heel in het kort hoe wij in Afrika terecht zijn gekomen:
van een visioen waarin we werden omringd door zwarte kinderen, veel
jaren geleden. Dat we hier zijn omdat we gestuurd zijn door onze God:
Jezus Christus! Daarna zegt de chief zelf iets. Hij blijft wel op zijn
troon zitten maar geeft aan dat hij blij is met wat we doen in zijn
stad en het voornaamste wat hij zegt is: "We zullen onze uiterste
best doen om u alle hulp te geven die we kunnen geven bij wat u doet!"
Het betekent veel in Ghana als je de goedkeuring en medewerking van
de Chief hebt. Het zal ons mogelijk kunnen helpen in de verdere ontwikkeling.
De mannen hebben geen tijd meer om naar onze kinderen te luisteren,
dus ik reageer verbaasd naar onze medewerker, terwijl we weg lopen:
"Mogen de kinderen niet zingen?" Ik kon me hun teleurstelling
al voorstellen, want ze hadden er zo hard voor geoefend. Kennelijk hoort
iemand dat en onmiddellijk worden we teruggeroepen. De Chief wil graag
onze kinderen horen! Die doen hun uiterste best om iets van hun zang
en dans te laten zien. De chief glimlacht als hij de indringende teksten
hoort. Eén van de kinderen krijgt wat geld toegestopt en later
horen we dat de chief had gezegd: "Die woorden troffen mijn hart."
Wij gaan na die tijd een arme buitenwijk bezoeken om de levensomstandigheden
van veel kinderen te zien. Het is bizar, zoals de mensen daar moeten
leven. Overal open riolen. Huisjes, waar bij ons nog geen hond in zou
mogen leven. Heel veel kinderen op straat, die eigenlijk op school zouden
moeten zitten, maar er is geen geld voor…Wat een armoe, wat een
ellende. En toch overal gastvrije en vriendelijke mensen.
We hebben een vergadering met de mannen van de Andreas Manna Ebibiman
Foundation. Hebben ze geprezen om hun enorme inzet. We hebben ze allen
in hun wrakkige huizen ontmoet en gezien dat ze ondanks hun eigen armoede
een enorme inzet plegen voor onze kinderen. Sommigen doen dat al langer
dan dertien jaar. Maken uit niets iets. Wat hen drijft? Diep in hun
hart zijn ze zelf kinderen van de straat. Ze weten wat armoede is en
wat het is om niets te hebben, nergens een veilige plek te hebben. Zo
kwam Robert zelf van het platte land naar de stad om zijn geluk te beproeven
en gaven anderen hem kansen die hij nu deelt met onze kinderen. Hij
leert ze drummen, dansen en drums bouwen. Ook leert hij hen zijn eigen
vak: elektricien. Robert, Sammy, Charles en Francis kennen het hart
van de God die naar henzelf heeft omgezien, waarom zij willen omzien
naar deze jongelui: die niets en niemand hebben die voor hen kan zorgen.
Daarom willen ze iets doen aan dit grote probleem onder de zwerfkinderen.
Wij hebben het met eigen ogen gezien en het is goed dat we het gezien
hebben. Maar God, hoe kunnen wij met ons kleine beetje helpen? We delen
nu in hun nood en die delen wij met u! De volgende avond is het alweer
de laatste voor ons vertrek. Heel veel kinderen komen om afscheid te
nemen, zowel de groten als de kleintjes. Theresia heeft voor ons allemaal
mooie jurken en bloezen genaaid, we krijgen een sjerp om met AMEF erop
en moeten zo nog even op de foto. Alle sieraden worden geshowd, die
we meekrijgen. Afscheidswoorden over en weer. Gebeden voor een veilige
terugreis en vooral dat God ons zegent, zodat wij meer voor hen kunnen
betekenen. Dansen en zingen en het houdt maar niet op. Onder het laatste
lied: "Ik heb je lief met de liefde van de Heer" komt iedereen
nog een hand schudden en dan gaan ze de poort weer uit. Gaan we ze weer
zien? Zullen ze het redden? Wij gaan naar huis met veel vragen en het
inmiddels bekende machteloze gevoel: "Kunnen we genoeg voor ze
doen?" God weet het!