Elly & Rikkert in Kenya
Elly
& Rikkert bezochten de weeskinderen van de Andreas Manna Stichting,
in het plaatsje Karungu, West Kenia. Hun verhaal:
Twee weken waren we in Kenya. Twee weken, die wel twee jaar leken, zoveel
hebben we gezien en meegemaakt terwijl we intussen ook de rust leerden
kennen waarin de mensen daar leven. Henk en Wilma van der Vinne, - met
wie we de reis maakten - hebben ons al veel verteld, maar het is toch
anders als je het zelf ervaart. De drukte en gejaagdheid hier komen
ons nu zo zinloos voor. Polle polle zeggen ze: Rustig aan. En: Hakuna
Matata. Maak je geen zorgen.
De eerste dag, na acht uur vliegen, zijn we in Nairobi aangekomen,
waar we afgehaald zijn door de hele familie Otieno, die ons samen met
onze bagage letterlijk in twee taxi’s propte. We reden naar een
huisje in één van de buitenwijken, waar de dochters en
een zoon van de familie verblijven en waar wij een eigen kamertje kregen
toegewezen met een eigen bed, wat achteraf een luxe bleek! Na een ontbijt
hebben we nog geprobeerd drie uurtjes te slapen, want daarna was er
een feestelijke kerkdienst, waarvoor we een paar haltes in een gammele
bus hobbelden om vervolgens onder een afdak van golfplaten deel te nemen
aan de vrolijkste dienst die we ooit hebben meegemaakt. Iedereen zingt
en swingt en gaat uit z’n dak en als je denkt dat het afgelopen
is, beginnen ze gewoon weer opnieuw.
De volgende dag bleven we nog in Nairobi om vanuit een busje een wildpark
te bekijken vlakbij de stad: in het wild levende leeuwen, giraffen,
buffels en neushoorns, die vrij rondliepen. De enigen die opgesloten
zaten waren wijzelf. ‘s Middags bezochten we Leo Slingerland,
een Nederlandse regisseur, die daar een groot Tv-station runt: Family-media.
Na het hele bedrijf bekeken te hebben, maakten we met hem de afspraak
om bij terugkomst van Karungu langs te komen voor een Tv-interview en
wat liedjes.
Vervolg...
De volgende dag vertrekken we ‘s morgens heel vroeg met de Kenya-bus
naar Karungu. Een reis van negen uur met maar één korte
tussenstop, waarin je dan razendsnel tussen de bosjes kon kruipen voor
een inmiddels zeer noodzakelijke plaspauze. Wij waren de enige blanken
- die heten daar Wazungu - en het moet een vreemd gezicht geweest zijn
voor de vrouwen rondom mij om een paar witte billen te zien!
Onderweg verzond ik nog snel een paar sms-berichtjes, want eenmaal in
Karungu was er geen bereik meer... Tien dagen zonder telefoon, zonder
krant, zonder elektriciteit, dus ook geen TV of radio (op een transistortje
na dat elke avond tussen 7 en 7.15 aangezet werd voor het nieuws, in
het Swahili), hoe moesten we dat overleven?

| |
Eenmaal
bij onze halte ergens in de bush van Karungu aangekomen werden we opgewacht
door twee grote jongens uit het weeshuis en een groep kinderen uit de
buurt. Terwijl de terreinwagen werd opgehaald stonden die kinderen ons
met open monden aan te staren. Uiteindelijk heeft Rikkert de gitaar
uitgepakt en is voor ze gaan zingen. Na heel wat gegiechel zongen ze
Spik-spik-spiksplinternieuw met ons mee! Daarna met de auto naar het
terrein, waar behalve de boerderij van William Otieno ook het weeshuis,
een polikliniek, een kerkje en een pasgebouwd ziekenhuisje staan. Daar
wachtten de weeskinderen ons op: de Karungu-Kids, drieëntwintig
stuks van 5 tot 18 jaar. De oudste heet Emmanuël en de jongste
Dorothy. In de tijd dat we daar waren hebben we ze stuk voor stuk in
ons hart gesloten. Wat een lieve, hartelijke en sociale kinderen. Ze
hebben door de omstandigheden geleerd om voor elkaar te zorgen en op
te komen en iedereen heeft ook zijn eigen taak in het kinderhuis of
op de boerderij. Ook daar hadden we weer een eigen kamertje met een
eigen bed. Zelfs een badkamer met een (koude) douche, die we deelden
met Henk en Wilma. Ik schrijf dit, omdat er verder in de bush alleen
maar lemen huisjes staan, zonder water en meestal ook zonder ramen,
waarin het hele gezin achter een gordijntje in één bed
slaapt. Later zijn we zulke huisjes gaan bekijken, maar eerst was er
de bezichtiging van het weeshuis, simpel maar doeltreffend: een eetzaal,
tevens recreatiezaal, een kleine studieruimte, een jongensslaapzaal,
een meisjesslaapzaal, allebei met stapelbedden (soms slapen er bij gebrek
aan bedden twee in één bed) en een keuken, waar op houtvuur
wordt gekookt. In de beide slaapzalen staat één kast,
waarin alle kleren worden bewaard. Niemand heeft echt eigen kleding;
alles wordt vrijwillig gedeeld. (Dit deed me denken aan onze hippie-tijd.
Toen hadden we zelfs geen eigen onderbroeken!). Na het uitdelen van
cadeautjes, petten, t-shirts en een heleboel omhelzingen van baba (papa)
Henk en mama Wilma, gingen de kinderen voor ons zingen. Fantastisch,
wat daar uitkwam!!! En het bleef niet alleen bij zingen: er
werd gedanst, geacteerd, geklapt, gefloten en dat een hele avond lang,
onvermoeibaar! Wij zaten met open monden te luisteren en te kijken.
Waren dat zielige weeskinderen? Dit was een koor, dat in Europa groot
succes zou kunnen hebben. Maar zij deden het gewoon voor hun plezier,
elke avond na het eten van hun ugali (soort dikke maïspap) met
Osukuma (soort kool) Ondengu (linzensaus) of kleine visjes (Oomena).
Voor het eerst hoorden en zongen we Amenitendea in de originele versie
en werden we verrast met hun versie van Karungu. De begeleiding bestond
uit één gammele gitaar, één kapotte trommel
en soms de blokfluit van Philip, een blinde jongen. (die later door
Wilma werd verrast met een braille-machine, ook een gift uit Nederland.)
 | |
De
volgende dag bestaat uit het bekijken van de andere projecten en uitrusten,
veel uitrusten. En genieten van de prachtige natuur! Karungu ligt aan
het Victoriameer met heuvels rondom en er is veel groen, bontgekleurde
vogels, schitterende bloemen en in het meer zelfs nijlpaarden! Helaas
zijn er ook muskieten, die malaria veroorzaken. Wij waren daar tegen
beschermd, maar veel kinderen in Kenia sterven daar nog steeds aan.
In de polikliniek die we bezichtigden, kwam een moeder met een doodziek
baby’tje op haar arm. Ze had tien kilometer gelopen, was al weggestuurd
bij een andere kliniek omdat ze geen geld had, maar werd hier wel geholpen,
dankzij de giften uit Nederland. Voor de prijs van één
eurokit, die wij hier gratis hebben gekregen, kon dit kindje blijven
leven. De moeder moest wel beloven, dat als ze het ooit kon betalen,
of een gedeelte ervan, ze het zou doen. Anders lopen ze de kans, dat
iedereen een gratis behandeling wil. Maar zij was -zoals veel vrouwen
daar- weduwe. En van bijstand hebben ze daar nog nooit gehoord. In de
kliniek werken drie Kenianen: een administrateur, die ook de mensen
thuis opzoekt, een laborant en een verpleegkundige. Af en toe komt er
een dokter. Het ziekenhuis, dat nu bijna klaar is, ligt achter de kliniek
en heeft plaats voor twintig bedden, die de komende weken zullen arriveren.
Dankzij de giften uit Nederland kan dit alles gerealiseerd worden. Maar
er is nog veel meer nodig: betere apparatuur, goeie spullen voor de
verloskamer, lakens, handdoeken, medicijnen, injectienaalden, infusen...alles
is verkrijgbaar in Kenia zelf, maar kost veel geld.
 | |
Na
de behandeling van de baby hebben we moeder en kind met de auto afgezet
vlakbij Homa Bay, een vissersplaatsje verderop aan het Victoriameer.
Iedereen leeft daar van de visvangst: zelfs de kleinste kinderen werken
mee. Het schrijnende is wel, dat de reusachtige nijlbaarzen die er gevangen
worden naar de visfabriek gaan, het vlees wordt er afgehaald en de graten
en koppen komen terug in vuilcontainers. Die worden daar door de arme
bevolking uit gehaald en gebruikt als onderdeel voor de soep van de
gewone bevolking. Ze vinden het daar heel gewoon, maar voor ons westerlingen
zag het er beschamend uit. Er was markt in Homa Bay, dat wil zeggen:
veel tweedehands kleren en schoenen, die overal uitgestald liggen, en
af en toe een mooie bewerkte lap voor om de heupen - een Kanga - die
ze zelf met moeite kunnen betalen, maar voor ons ongeveer één
of twee euro kost. Toch maken de mensen een vrolijke indruk. Als er
niets is, dan is er niets en als er wel wat is, is het feest. Dat zien
we ook zondags weer! Nu in het kerkje op het terrein dat langzamerhand
volstroomt met kleurige mensen en kinderen. Feest! Feest voor de Heer
met zingen en klappen en dansen. Stel je voor: een hele kerk, die in
ons liedje Afrika het refrein Karungu meezingt! Vrouwen die door het
middenpad dansen en me onderweg omhelzen en zegenen...het is teveel.
Ik dacht dat we hen wat kwamen brengen, maar ze geven zoveel terug.
Dit is wat je noemt delen. Echt delen met elkaar. Onvoorwaardelijk.
Ik kan nog pagina’s vullen met indrukken, maar zal me beperken.
Toen we de school van de kinderen bezochten, die ook mede dankzij giften
is verbouwd, uitgebreid en ingericht, zagen we onder een boom een doodzieke
vrouw. Een weduwe van wie de man al aan aids was overleden en zij had
het waarschijnlijk ook. We maakten een praatje en verwezen haar naar
de kliniek. De volgende dag was ze daar inderdaad. Zonder geld en met
een uitgebluste blik. Ze maakte zich meer zorgen over haar kinderen
dan over zichzelf. Molly, de verpleegster, vertelde ons dat de oudste
zoon van deze vrouw op de basisschool was geëindigd met de beste
cijfers en de raad kreeg om naar een goede middelbare school te gaan.
Maar daar was uiteraard geen geld voor. Ze had hem al bijna aan het
weeshuis willen geven in de hoop, dat hij dan wèl een opleiding
kon krijgen. Na haar behandeling strompelde ze naar haar hut terug.
Rikkert en ik overlegden met Henk, Wilma en William, of wij niet voor
de opleiding van die jongen konden zorgen. Uiteindelijk zijn we naar
het hutje gelopen, waar ze met een blote baby op de bank zat, en hebben
het haar aangeboden. De tranen stroomden haar over de wangen en ze dankte
de Heer. Jesupaki, Jesupaki! Riep ze, wat betekent: Prijs Jezus! Door
al dat lawaai kwam een meisje van een jaar of negen achter het slaapgordijn
vandaan, dat Dorothy bleek te heten. Ze verstopte zich achter haar moeder.
De naam van de baby was Veralyn. De jongen was er zelf niet. Die was
twee dagen lopen naar zijn oom om te proberen aan voedsel te komen.
Toen we vroegen hoe hij heette zei ze: Kennedy. Dus als je ooit nog
eens hoort van een president in Kenya die Kennedy heet, dan weet je
wie het is! Maar er zijn nog veel meer Kennedy’s (en Dorothy’s)
in Kenia. Begaafde kinderen, die na de lagere school moeten stoppen.
Of zelfs al eerder. Soms gaan ze naar Nairobi om daar geld te verdienen
voor hun familie en raken aan de drugs. Je ziet ze op straat liggen:
lijmsnuivertjes van soms nog geen tien jaar met grote rode ogen en vodden
aan hun lijf. Ze leven maar kort. ‘s Avonds kwam de oude oma van
Kennedy met een (levende) kip onder haar arm naar de boerderij toe om
ons te bedanken. Misschien wel hun enige. De kip moest mee naar Nederland,
maar Henk heeft haar plechtig verzekerd, dat we er op een dag met z’n
allen van zullen eten. De schuld was betaald! Het klinkt nu alsof er
alleen maar ellende is in Karungu, maar nogmaals: de meeste mensen leven
er vrolijk en zorgeloos. Vrouwen lopen te zingen met zware manden en
tonnen op hun hoofd, mannen fietsen er met gevangen vissen tussen de
snelbinders en kinderen spelen er met zelfgemaakte auto’s en vliegtuigjes
van oude blikjes en melkpakken. Toen we teruggingen met de bus naar
Nairobi en een leeg yoghurtpakje kwijt wilden zei Wilma: Uit het raam
gooien! Als echte Nederlander doe je dat niet, maar Wilma vertelde,
dat kinderen langs de snelweg er naar op zoek gaan. Dus met een rood
hoofd gooide Rikkert het uit het raam...de omgekeerde wereld! Terug
in Nairobi kochten we in een echte winkelstraat nog wat souvenirs en
gingen toen naar het TV-station, gevestigd in het hoogste gebouw van
de stad. Emanuel, de oudste jongen van het weeshuis was met ons meegereisd
en keek z’n ogen uit. Toen we in de lift stapten, die nogal trilde
en bibberde, greep hij -zo groot als hij was-de hand van
mama Wilma¹. En de grootste verrassing kwam toen we uitstapten
op de 24e verdieping. Hij keek om zich heen, toen weer achter zich,
naar het hokje waar we uit waren gekomen en zei Hoe kan dat nou? We
gaan dezelfde deur uit en alles is veranderd! Hij was nog nooit in een
lift geweest.
Het interview ging heel goed en we zongen nog een paar van onze liedjes,
die we in het Engels hadden vertaald, gewoon met een gitaar. Achteraf
kregen we de vraag of we niet een Engelstalige CD wilden maken voor
de Afrikaanse landen. We zullen er over nadenken. Want het liefst willen
we hem dan maken met de Karungu-kids¹ het weeshuiskoor. We hebben
Emanuel de (nieuwe) gitaar meegegeven voor het koor om nog beter te
kunnen oefenen en zijn de volgende morgen in het vliegtuig gestapt,
uitgezwaaid door de zonen en dochters van William en Emanuel (die nog
nooit een vliegtuig had gezien!) Na een voorspoedige reis zijn we nu
weer thuis, maar ik moet eerlijk zeggen: het is moeilijk wennen. We
missen natuurlijk het mooie weer en de heerlijke natuur, maar vooral
de kinderen. Alleen daarom al willen we weer terug. Maar eerst gaan
we ons best doen om nog meer kinderen daar te kunnen helpen. Wie doet
er mee? Alvast bedankt, ook namens hen! En verder: 'Polle polle' en
'Hakuna matata'!
Elly en Rikkert

|